donatieknop english

"Belangenorganisaties vervullen een belangrijke rol in de samenleving en in het – waartoe ik mij hier beperk – bestuursrechtelijke rechtsbedrijf. Zij bieden een platform voor belangenarticulatie aan burgers en bedrijven. Daarmee zijn zij een bruikbaar aanspreekpunt voor bestuur en wetgever. Een rol die des te belangrijker is nu er steeds minder organisatie van belangen plaatsvindt via politieke partijen. De kwaliteit van besluitvorming en regelgeving is gebaat bij betrokkenheid van belangenorganisaties. Bovendien kan via deze organisaties de stem van burgers en bedrijven op effectieve wijze worden gehoord. Ook in het kader van de rechtsbescherming zijn belangenorganisaties belangrijk. In veel gevallen nemen zij het voortouw in procedures en zorgen zij dat de kwaliteit van besluitvorming en regelgeving door de rechter wordt getoetst. Daarbij hebben de organisaties meestal veel verstand van zaken. Verder kan zo in meer algemene zin een rechterlijk oordeel worden verkregen over een kwestie, zonder dat er een serie individuele zaken aanhangig hoeft te worden gemaakt. Geen overbodige luxe, mede gelet op de dreigende verhoging van griffierechten.

(...) Toch zijn er de afgelopen jaren in het bestuursrecht pogingen gedaan om juist hun rol terug te dringen.

Een voorbeeld van dat laatste bieden de Afdelingsuitspraken van het najaar van 2008 (LJN BF3913, LJN BF3912, LJN BF3911 en LJN BG1156). Daarin wordt de drempel voor de ontvankelijkheid van belangenorganisaties verhoogd. Er worden zwaardere eisen gesteld aan het onderscheidend vermogen van statutaire doelstellingen. Verder wordt strenger de hand gehouden aan de eis van feitelijke werkzaamheden. Daaronder kan niet meer worden begrepen het louter in rechte opkomen tegen een besluit. Uiteindelijk heeft deze nieuwe lijn de positie van belangenorganisaties gelukkig niet wezenlijk beperkt. (...)

Een ander gevaar voor de positie van de belangenorganisaties vloeit voort uit jurisprudentie van de civiele rechter in procedures over de rechtmatigheid van regelgeving. Als bekend, kan er vanwege artikel 8:2 Awb bij de bestuursrechter niet rechtstreeks worden opgekomen tegen algemeen verbindende voorschriften. De rechtmatigheid daarvan kan daardoor bij de burgerlijke rechter worden betwist. Belangenorganisaties kunnen dat doen op de voet van de collectieve en algemeen belang actie van artikel 3:305a BW. In een procedure van de Stichting Privacy First tegen het biometrisch paspoort verklaarde de rechtbank (sector civiel) deze organisatie echter niet ontvankelijk. Dit omdat de rechtmatigheid van de Paspoortwet ook indirect bij de bestuursrechter zou kunnen worden getoetst in een zaak van een individuele burger tegen het besluit tot weigering van een paspoort vanwege het niet afgeven van vingerafdrukken (2 februari 2011, LJN BP2860). Daarbij lijkt een belangrijke rol te hebben gespeeld het voorkomen van de betrokkenheid van twee soorten rechters met het risico van 'rechtsoneenheid'. Hoewel op zich een legitiem belang, kunnen er serieuze vraagtekens bij dat oordeel worden geplaatst omdat het in lijkt te gaan tegen de bedoelingen van de wetgever. Bovendien is het gevolg daarvan dat de mogelijkheden van belangenorganisaties om te procederen tegen regelgeving ernstig in het gedrang komen. Zij kunnen immers niet zelf bij de bestuursrechter een procedure entameren. Verder is het onwaarschijnlijk dat zij als belanghebbende zouden worden toegelaten tot de procedure van de betrokken individuele burger. Daarbij laat deze paspoortzaak ook goed zien wat het gevolg is van het terugdringen van de rol van belangenorganisaties. Nu zijn er in het hele land diverse procedures gevoerd met alle rechtsonzekerheid van dien en wordt thans nog gewacht op het hoger beroep (bijv. LJN BP8841, LJN BT7650, LJN BR7082, en LJN BR4658). Bovendien blijkt dat de deskundige inbreng van de genoemde belangenorganisatie een toegevoegde waarde zou hebben gehad. Het is dan ook te hopen dat de uitspraak van de rechtbank in hogere instantie(s) wordt gecorrigeerd. Een alternatief daarvoor zou kunnen zijn het mogelijk maken van direct beroep tegen algemeen verbindende voorschriften (waaronder formele wetgeving) bij de bestuursrechter via het wijzigen van artikel 8:2 Awb. Deze optie heeft de voorkeur omdat daarmee het genoemde gevaar van 'rechtsoneenheid' zou kunnen worden weggenomen met behoud van de positie van belangenorganisaties."

Lees HIER het hele artikel van prof. Tom Barkhuysen bij NJBlog.

Gepubliceerd in Privacy First in de media

Sinds enkele dagen is er terechte opschudding over twee nieuwe kabinetsplannen die de privacy verregaand aantasten. Het eerste is een plan van minister Leers (CDA) om voortaan automatische risicoprofielen te gaan opstellen van iedere vliegtuigpassagier. Voordat u bijvoorbeeld op zakenreis of op vakantie gaat krijgt u dan een groen, geel, oranje of rood vlaggetje achter uw naam. Zonder dat u dat zelf weet. Niet als surprise party, maar omdat u in de ogen van dit kabinet misschien wel een gevaarlijke terrorist bent. Op Schiphol mag u dan hopelijk door het snelle poortje voor mensen met groene vlaggetjes lopen. Heeft u een ander vlaggetje, dan wordt u apart genomen, grondig gecontroleerd en ondervraagd en mist u wellicht uw vliegtuig. Het wetsvoorstel is nog niet naar de Tweede Kamer gestuurd, maar de overheid begint nu alvast met het bouwen van de bijbehorende centrale infrastructuur (PARDEX). Zo democratisch is Nederland anno 2012.

Het tweede plan komt uit de koker van staatssecretaris van Sociale Zaken De Krom (VVD). Qua privacybescherming blijkt De Krom al even hardleers: zijn idee is om voortaan van alle uitkeringsgerechtigden uitgebreide profielen te gaan samenstellen aan de hand van alle mogelijke databanken die men aan de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) kan koppelen. Mocht er ergens een digitaal vuiltje in uw profiel zitten, dan verschijnt u meteen op de radar bij een centrale meldkamer, een soort Central Command van de uitkeringen. Vervolgens is het aan u om te bewijzen dat er iets niet klopt aan uw profiel, anders raakt u wellicht uw uitkering kwijt.

In beide voorstellen draait alles om profiling: het opstellen en bijhouden van gedetailleerde risicoprofielen van gewone burgers. In een oceaan aan informatie die voor 99% van onschuldige mensen afkomstig is, hopen Leers en De Krom de 1% (potentiële) raddraaiers eruit te kunnen vissen. (Herinnert u zich 'The One Percent Doctrine' van Dick Cheney?) Oftewel een omkering van het klassieke principe dat de overheid pas inbreuk op uw privacy mag maken bij een redelijke verdenking van een strafbaar feit. Door profiling wordt iedereen immers bij voorbaat als (potentiële) verdachte behandeld. Het recht op privacy wordt daardoor in feite illusoir.

Gisteravond vond hierover een discussie plaats in het radioprogramma Dichtbij Nederland (NTR, Radio 5). Naast Vincent Böhre van Privacy First namen twee deskundigen deel aan het gesprek: criminologe Marianne van den Anker (voorheen wethouder Veiligheid bij Leefbaar Rotterdam) en Marc Jacobs (schrijver en oud-politiecommissaris). De hele discussie kunt u HIER terugluisteren (vanaf 17m48s).

Gepubliceerd in Profiling

"Het kabinet wil de fraude met bijstandsuitkeringen aanpakken door allerlei persoonsgegevens aan elkaar te koppelen. Mag dat wel?

Is het technisch mogelijk de gegevens van sociale diensten, studiefinanciering, banken, handelsregister, de gemeentelijke basisadministratie en het kadaster aan elkaar te koppelen?

Bij het ministerie van Sociale Zaken denken ze van wel. Staatssecretaris Paul de Krom wil de koppeling al op korte termijn invoeren. 'De techniek is er klaar voor', zegt ook Jan Friso Groote, hoogleraar Informatica aan de TU Eindhoven. 'Maar de mensen niet.' (...)

Mag al die persoonlijke informatie wel zo breed worden gedeeld?

Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) doet nog geen uitspraken over het plan van De Krom. Pas als er een wetsvoorstel ligt, buigt het college zich daarover. Kees de Vey Mestdagh, hoogleraar Recht en ict van de Universiteit Groningen, is ervan overtuigd dat het niet mag. 'Dit is een onrechtmatig idee. In de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) zijn een heleboel voorwaarden verbonden aan het uitwisselen van gegevens. Dit plan gaat daaraan voorbij. Zo moeten betrokkenen toestemming geven dat hun gegevens worden gedeeld.'

Fraude moet toch bestreden kunnen worden?

Jazeker, de wet biedt daarvoor ook de mogelijkheid. 'Gebruik maken van persoonlijke gegevens mag, mits de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is.'

Maar, zegt De Vey Mestdagh, dan moeten de afzonderlijke wetten waar de betrokken instellingen aan zijn gebonden het delen van informatie ook toestaan. Voor de sociale dienst, de studiefinanciering, de banken, het handelsregister, de gemeentelijke basisadministratie en het kadaster moet expliciet geregeld zijn dat zij aan fraudebestrijding mogen meewerken. Als dit in een van deze wetten niet is opgenomen, zal dat alsnog moeten gebeuren. Het behandelen van zo'n noodzakelijke wetswijziging zal vervolgens jaren in beslag nemen. 'Dan is er al zoveel opschudding geweest over digitale privacy dat de kans klein is dat zo'n wijzigingsvoorstel door het parlement komt', verwacht De Vey Mestdagh.

Als je niets fout doet, heb je van de voorgenomen koppeling van bestanden toch niets te vrezen?

Het is een vraag die De Vey Mestdagh ook vaak van zijn studenten krijgt. 'Het is een misvatting', zegt hij. 'Stel je voor dat je medische gegevens openbaar worden, dat kan je bijvoorbeeld parten spelen bij sollicitaties.'
(...)
De grenzen schuiven langzaam op, zegt Vincent Böhre van Privacy First, een organisatie die zich hard maakt voor privacybescherming. 'Vroeger trokken ze je gegevens pas na als je een strafbaar feit had gepleegd. Nu hebben ze al een beeld van je voordat je iets strafbaars hebt gedaan.'"

Bron: Volkskrant 14 maart 2012, p. 11.

Gepubliceerd in Privacy First in de media

"Patiënten die er bezwaar tegen hebben dat de behandeling van hun psychische aandoening op de factuur van de verzekeraar komt, kunnen dat beletten. Dat is het gevolg van een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Psychiaters en psychologen wonnen een rechtszaak die zij hadden aangespannen tegen de Nederlandse Zorgautoriteit, de overheidsinstantie die regels en tarieven in de zorg vaststelt. De zorgverleners wilden de privacy van patiënten beschermen, evenals hun eigen beroepsgeheim. Privacy First, de stichting die over privacybescherming waakt, noemt het een ,,baanbrekende uitspraak"."

Bron: NRC Handelsblad 13 maart 2012, sectie Binnenland.

Gepubliceerd in Privacy First in de media

"Het is goed misgegaan bij de invoering van het biometrische paspoort. Dat is de conclusie van een onderzoek van oud-topambtenaar Roel Bekker. Volgens hem heeft de overheid de complexiteit van het digitale paspoort onderschat. Nederland wilde in de bestrijding van zogeheten 'look-a-like' fraude voorop lopen, en dat werd nog eens extra urgent na 11 september 2001. Technologische experts en zwakke waarschuwingen werden daardoor nauwelijks gehoord. De voortvarendheid waarmee het biometrisch paspoort vervolgens werd ingevoerd, heeft een systeem opgeleverd dat 'niet is mislukt', volgens Bekker, maar dat ook 'niet werkt'. Eerder bleek al uit een proef van de gemeente Roermond dat het één op de vijf keer mis gaat bij het uitlezen van de digitaal opgeslagen vingerafdruk. Maar omdat er in de aanloop nooit is vastgesteld wat de foutmarge mag zijn in zo'n systeem, is niet eens te zeggen of die twintig procent een probleem vormt of niet. Bovendien is er nooit duidelijkheid geweest over de omvang van de 'look-a-like' fraude. Men heeft aangenomen dat deze fraude een groot probleem is, en dat biometrie het antwoord daarop zou zijn.
(...)
De problemen met het biometrisch paspoort hebben een lange geschiedenis. Vincent Böhre stelde in 2010 in het WRR-rapport 'Happy Landings? Het biometrische paspoort als zwarte doos' vast dat het begrip privacy sinds eind jaren negentig meer en meer naar de achtergrond is verdwenen, en dat er nauwelijks gedegen onderzoek is gedaan naar de effectiviteit van biometrie in het paspoort. Vorig jaar gaf toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Piet Hein Donner opdracht tot onderzoek. Hij bepaalde toen onder druk van de Tweede Kamer dat vingerafdrukken uit paspoorten voorlopig niet centraal of door gemeenten worden opgeslagen. De Tweede Kamer vond dat systeem niet veilig en was bang voor fouten. De gemeentes beloofden toen de al opgeslagen vingerafdrukken te wissen uit hun databestanden. (...)

Inmiddels lopen er zeven rechtszaken van mensen die hebben geweigerd hun vingerafdrukken af te geven. Zij eisen een geldig identiteitsbewijs zonder vingerafdrukken van de overheid. Afgelopen donderdag diende bijvoorbeeld de zaak van Nanette Boers (25). Zij vindt de plicht om je vingerafdrukken af te geven een inbreuk op haar lichaamsintegriteit, en waarschuwt bovendien voor misbruik. Als je je vingerafdrukken eenmaal hebt afgegeven en er een digitaal bestand van is gemaakt, heb je er geen controle meer over. Dat is ook het punt van Peter Jongenelen (47), die in afwachting is van een uitspraak in zijn rechtszaak: 'Als ik veertig jaar geleden jouw identiteit wilde stelen, moest ik bij je inbreken. Nu volstaat een laptop, dat contact maakt met een bestandje ergens op de wereld.'
(...)
De reactie van Privacy First op het rapport van Bekker vindt u HIER."

Lees HIER het hele artikel op de website van radioprogramma 'De Andere Wereld' (IKON). De bijbehorende reportage kunt u HIER terugluisteren.

Gepubliceerd in Privacy First in de media

In heel Nederland is het inmiddels schering en inslag: openbaar cameratoezicht. Ook industriegebieden worden met camera's volgehangen, bijvoorbeeld op bedrijventerrein BT A12 in Ede. Door de lokale omroep Ede FM werd Privacy First om een reactie gevraagd; het hele fragment vindt u hieronder. (Excuses voor de storingen in het geluidsbestand.)

 

Gepubliceerd in Privacy First in de media

Nederland is een democratische rechtsstaat. Dat houdt in dat ieder overheidsoptreden 1) democratisch gelegitimeerd dient te zijn én 2) aan het recht onderworpen is. Het recht bepaalt dus waar de overheid zich aan te houden heeft. Zoals het verbod van eigenrichting voor iedere burger geldt, zo geldt dat ook voor de overheid zelf. In die zin heeft de overheid een belangrijke voorbeeldfunctie. Maar wat nu indien de overheid een rechterlijke uitspraak aan haar laars lapt? Gelukkig kunnen burgers in een rechtsstaat dan opnieuw naar de rechter stappen om de overheid tot de orde te roepen. Dit gebeurde vorig jaar in een rechtszaak tegen de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over de medische privacy en het beroepsgeheim in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Vorige week oordeelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat de NZa een eerder vonnis van het College niet had nageleefd en alsnog dient uit te voeren. Privacy First licht de uitspraak van het College hieronder kort voor u toe.

In 2008 is in Nederland het systeem van de zogeheten Diagnose Behandel Combinatie (DBC) ingevoerd. Dit houdt in dat iedere medische behandeling een speciale code heeft. Die code staat op de factuur voor uzelf en voor uw zorgverzekeraar. Zo kan uw zorgverzekeraar uw declaratie controleren. Daarnaast wordt op de factuur een korte omschrijving (‘lekenomschrijving’) vermeld. Iedere DBC-registratie wordt tevens (gepseudonimiseerd) ingevoerd in een centrale database van de overheid: het DBC Informatiesysteem (DIS). Deze database kan onder meer geraadpleegd worden door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Middels koppeling zijn de DBC-gegevens eenvoudig tot individuele personen te herleiden. Dit alles vormt een schending van de medische privacy (bij patiënten) en het medisch beroepsgeheim (bij medisch specialisten), zo ook in de curatieve geestelijke gezondheidszorg. Enkele jaren geleden trokken een aantal vrijgevestigde psychiaters en psychotherapeuten (waaronder Stichting KDVP en DeVrijePsych) hierover terecht aan de noodrem bij de NZa. Hun bezwaren tegen de DBC-systematiek werden door de NZa echter ongegrond verklaard, waarna een procedure bij het CBb volgde. In augustus 2010 stelde het College de psychiaters en psychotherapeuten in het gelijk: de NZa diende hen voortaan van het DBC-systeem uit te zonderen. De NZa bleek echter onwillig om dit vonnis na te leven, waarna begin 2011 opnieuw een procedure bij het College volgde ter bevestiging van het eerdere vonnis. In zijn uitspraak van 8 maart jl. oordeelt het College dat de NZa het eerdere vonnis niet heeft nageleefd:

“Uit het voorgaande volgt dat de vraag of [de NZa] in haar nieuwe beslissing op bezwaar op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak van het College, ontkennend moet worden beantwoord." (par. 5.33)

De kernoverweging in de eerdere uitspraak van het College luidde als volgt:

“Het verstrekken aan zorgverzekeraars van diagnose-informatie over individuele patiënten maakt inbreuk op de medische privacy van deze patiënten. Appellanten hebben uitvoerig toegelicht welke bezwaren vanuit het perspectief van de patiënt, de behandeling en het beroepsgeheim van de behandelaar zijn verbonden aan het doorgeven van dergelijke informatie aan derden die niet bij de behandeling zijn betrokken. Naar het oordeel van het College zijn deze bezwaren zwaarwegend: het gaat om diagnoses die de kern van het privéleven van de betrokken persoon raken, zodat informatie hierover zeer privacygevoelig is. Daar komt bij dat, zoals appellanten hebben betoogd, vertrouwelijkheid en geheimhouding bij de behandeling van psychische klachten van groot belang zijn.” (par. 2.4.4.3)

In het nieuwe vonnis verplicht het College de NZa tot het maken van een opt-out privacyregeling voor de aanlevering van diagnose-informatie bij de behandeling van psychische klachten in de GGZ:

"Het resultaat van deze wijziging van het declaratiesysteem zal in elk geval dienen te zijn, dat de verplichting tot het vermelden van de diagnose-classificatiecode, alsook de verplichting tot het vermelden van andere gegevens op de declaratie waaruit een diagnose kan worden afgeleid, als zodanig komt te vervallen." (par. 5.42)

Het College concludeert in dit verband  dat de NZa (en VWS) over de bevoegdheden beschikt om dit te realiseren en dat een uitzonderingsregeling (opt-out) zeer goed te verwezenlijken is. Als kersverse winnares van een Big Brother Award vormt het een uitgelezen kans voor minister Schippers om haar privacyblazoen te zuiveren door nauwlettend toe te zien op de uitvoering hiervan door de NZa. Privacy First zal dit graag blijven monitoren.

Update 10 juni 2012: de NZa heeft het vonnis van het College inmiddels nageleefd door aanpassing van haar regelgeving. Per 7 juni jl. gelden 'naar letter en geest' van het vonnis van het College nieuwe NZa-beleidsregels voor de GGZ: 

1. Patiënten in psychotherapeutische of psychiatrische behandeling kunnen ter bescherming van hun privacy diagnosevermelding op de declaratie afwijzen. Wanneer patiënten van hun ziektekostenverzekering gebruik willen maken stellen zij met de behandelaar een 'privacyverklaring' op en sturen deze naar de verzekeraar. Diagnosevermelding op de declaratie is dan niet langer verplicht. Wel kan de medisch adviseur van de ziektekostenverzekeraar onder medisch beroepsgeheim om inlichtingen vragen.

2. Bij zelfbetalende patiënten is diagnosevermelding op de rekening niet langer verplicht. Een privacyverklaring is niet nodig.

3. In deze twee gevallen is ook toezending van DBC-registraties aan het DBC Informatiesysteem (DIS) niet langer verplicht.

Meer hierover vindt u HIER op het weblog van DeVrijePsych. Klik HIER voor het volledige besluit van de NZa d.d. 7 juni jl.

Update 7 juli 2012: Privacy First blijkt te vroeg gejuicht te hebben: Stichting KDVP gaat tegen de nieuwe beleidsregels van de NZa in beroep. "De door de  NZa opgestelde opt-out regeling is onvolledig, niet effectief en bijgevolg onbruikbaar in de praktijk van de verzekerde zorgverlening in de GGZ", aldus KDVP op haar website. De NZa blijkt immers onder meer te hebben "nagelaten om te voorzien in de noodzakelijke voorlichting over de invoering van een privacy opt-out regeling voor de GGZ" en de regeling onvoldoende te hebben uitgewerkt om te verhinderen dat diagnose-informatie (alsnog) kan worden uitgewisseld. Met de huidige opt-out regeling wordt namelijk niet voorkomen "dat uit coderingen en gedeclareerde bedragen alsnog diagnose-informatie te herleiden is." Het volledige standpunt van Stichting KDVP kunt u HIER lezen. Het zou de NZa sieren om de door Stichting KDVP geconstateerde gebreken in de opt-out regeling z.s.m. te repareren.

Gepubliceerd in Medische privacy
zaterdag, 10 maart 2012 16:37

Ophef over identificatieplicht

Het Openbaar Ministerie (OM) tekende onlangs beroep aan tegen de vrijspraak van een orthodox-joodse man die zich niet terstond kon identificeren. De man werd op 8 oktober jl. staande gehouden en verzocht zich te identificeren. De man vertelde de agenten dat hij geen ID-kaart bij zich had omdat het sabbat was. De religieuze regels die hij volgt, verbieden het om tijdens de sabbat iets bij zich te dragen. Wel gaf hij de politie toestemming om zijn rijbewijs thuis op te halen om zo zijn identiteit vast te stellen. Daarmee heeft hij in tegenstelling tot wat het OM beweert, aan de identificatieplicht voldaan. De kantonrechter ontsloeg de betreffende man op 17 februari jl. van rechtsvervolging.

Sinds januari 2005 geldt in Nederland de Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht. Burgers moeten op verzoek van een daartoe bevoegd ambtenaar een identificatiebewijs kunnen tonen; er is sprake van een toonplicht. De plicht tot het dragen van een identiteitsbewijs (draagplicht) staat niet in de wet. Dit verschil mag academisch lijken, maar heeft belangrijke consequenties voor de dagelijkse praktijk. Het betekent niets meer en minder dan dat iemand die geen identiteitsbewijs draagt op zich niet in overtreding is. En dat geldt niet alleen voor mensen met een bepaald geloof.

In Nederland is er jaren veel weerstand geweest tegen de invoering van de identificatieplicht. Dat heeft ook te maken met het feit dat in de oorlog door het Nederlandse persoonsbewijs veel joden zijn afgevoerd.

In december 2003 werd de uitbreiding van de identificatieplicht in de Tweede Kamer besproken. Het wetsvoorstel kreeg veel kritiek van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Orde van Advocaten en het College Bescherming Persoonsgegevens, dat wees op het gebrek aan onderbouwing en de strijdigheid met art. 8 lid 2 EVRM. Privacy International wees er bovendien op dat de plicht tot het dragen van een identiteitsbewijs in strijd is met het VN-verdrag voor de rechten van het kind, art. 16. Kort voor het parlementaire debat werd de draagplicht dan ook uit het wetsvoorstel geschrapt. Minister Donner verklaarde alleen een toonplicht in te willen voeren. Voor de PvdA was deze verandering een argument om voor te stemmen. De ChristenUnie, SGP, GroenLinks en SP stemden tegen de wet. Toen de wet was aangenomen wilde de VVD alsnog een draagplicht. In 2007 deed Henk Kamp (VVD) als Kamerlid opnieuw een poging om via een boerkaverbod de plicht tot het dragen van een identiteitsbewijs in de wet te laten opnemen.

In andere landen met alleen een toonplicht, zoals bv. Duitsland of Luxemburg, betekent dit daadwerkelijk dat men niet verplicht is een identiteitsbewijs bij zich te dragen. Als daar een persoon wordt aangehouden en hij/zij heeft geen identiteitsbewijs bij zich, wordt hij of zij in de gelegenheid gesteld dat op te halen tenzij er een dringende reden is de persoon meteen mee te nemen. In België is er wel een draagplicht en wel vanaf 1919. In Frankrijk is er een toonplicht voor Franse staatsburgers en een draagplicht voor migranten.

In Nederland wordt de toonplicht in de praktijk ten onrechte uitgelegd als draagplicht. Om dit te bereiken spreekt de wet van "aanbieden bij de eerste vordering" en moeten we volgens de Postbus 51-folder altijd een identiteitsbewijs bij ons hebben. Een folder is echter niet hetzelfde als de letterlijke tekst van de wet. De Haagse kantonrechter heeft op dit punt dan ook een juiste uitspraak gedaan.

Het OM lijkt zich hier niet bij neer te leggen, en de plicht om een identiteitsbewijs te dragen alsnog op een oneigenlijke wijze af te willen dwingen. Een woordvoerder van het OM liet weten: "Het is daarom belangrijk dat een hogere rechter zich hierover buigt. Dan weten burgers ook in de toekomst waar ze aan toe zijn." GroenLinks en de PvdA hebben vragen gesteld over deze kwestie.

Update Privacy First 8 februari 2013: de rechtszitting in het hoger beroep in deze zaak vindt plaats op dinsdag 12 februari 2013 (10.00u) bij het Hof Den Haag.

Update Privacy First 12 februari 2013: zoals verwacht deed het OM het tijdens de rechtszitting vanochtend voorkomen alsof sprake zou zijn van een draagplicht. Door de advocaat van de 'verdachte' werd (onder meer) terecht beargumenteerd dat slechts sprake is van een toonplicht, waar in casu aan was voldaan. De meervoudige kamer van het Hof doet uitspraak op dinsdag 26 februari as. (9.00u).

Update Privacy First 26 februari 2013: in een teleurstellende uitspraak heeft het Hof Den Haag vandaag alsnog geoordeeld dat sprake was van overtreding van de identificatieplicht. Daarbij miskent het Hof echter het onderscheid tussen een draagplicht en een toonplicht:

"Uit de Memorie van Antwoord van de minister van justitie aan de Eerste Kamer, zoals deze staat weergegeven onder punt 18 van de pleitnotities, volgt niet dat in het geval de verdachte zijn identiteitsbewijs thuis heeft liggen, steeds van een politieambtenaar verwacht of zelfs geëist zou mogen worden dat hij de verdachte vergezelt naar zijn woonhuis. Dat iets dergelijks in het onderhavige geval uiteindelijk wel is gebeurd, doordat politieambtenaren met verdachtes toestemming en met behulp van een buurvrouw van verdachte, die over zijn huissleutels beschikte, zich de toegang tot zijn huis hebben verschaft om aan de hand van de in verdachtes portemonnee aangetroffen rijbewijs zijn identiteit te kunnen vaststellen, levert naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak in redelijkheid geen grond op voor het openbaar ministerie om niet tot vervolging over te gaan. (...) Het hof is voorts van oordeel dat het feit dat de verdachte zich bereidwillig heeft opgesteld om, met behulp van zijn buurvrouw en de verbalisanten, zijn identiteitsbewijs alsnog ter inzage aan te bieden niet af doet aan het feit dat uit de wet noch uit de onder punt 42 van de pleitnotities genoemde Memorie van Antwoord volgt dat onder deze gegeven omstandigheden geen sprake is van een overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht."

Het is te hopen dat de Hoge Raad deze uitspraak spoedig zal corrigeren.

Update 11 december 2015: lees ook NOS op 3, 'Geen ID-kaart bij je? Vraag agent even mee te lopen', met naschrift Privacy First.

Gepubliceerd in Columns

Vandaag verzond Stichting Privacy First onderstaande brief aan de Tweede Kamer:

Geachte Kamerleden,

In het kader van het Algemeen Overleg op 7 maart as. over de herziening van EU-wetgeving inzake bescherming persoonsgegevens attendeert Privacy First u hierbij op een belangrijk aspect dat vooralsnog geen publieke aandacht lijkt te hebben gekregen: de voorgestelde rechtsmiddelen ter bescherming van persoonsgegevens in collectieve zin. Wij doelen hierbij op de huidige concept-Privacyrichtlijn, art. 53 lid 1 juncto art. 50 lid 2, laatste zin: "The organisation or association must be duly mandated by the data subject(s)."[1] Deze voorwaarde ontbreekt in parallelle bepalingen van de concept-Privacyverordening en zal dus alleen gaan gelden in de sfeer van politie in justitie. De achterliggende motivatie van de Europese Commissie is Privacy First vooralsnog onbekend.

In de Nederlandse vertaling van de concept-Richtlijn luidt de betreffende bepaling als volgt:"De organisatie of vereniging moet daartoe naar behoren door de betrokkene(n) gemachtigd zijn." Deze bepaling vormt een blokkering van de toegang tot de rechter voor stichtingen en verenigingen die onder huidig Nederlands recht in het algemeen belang privacyprocessen tegen de overheid (inclusief politie en justitie) kunnen voeren zonder daartoe vooraf door individuele burgers gemachtigd te zijn. In die zin werpt de bepaling een onwettelijke drempel op tegen het voeren van zogeheten 'algemeen-belangacties' ter bescherming van ieders privacy.

Ook indien deze bepaling 'slechts' gelezen zou worden als een zogeheten 'representativiteitseis' is deze in strijd met het collectieve actierecht zoals dat in Nederland sinds 1994 geldt; zie art. 3:305a BW en art. 1:2 lid 3 Awb (algemeen-belangactie) plus bijbehorende wetsgeschiedenis en jurisprudentie. Bij de totstandkoming van deze Nederlandse wetsartikelen is nadrukkelijk géén representativiteitsvereiste aan de stichting of vereniging in kwestie gesteld. Begin 2010 bevestigde de Hoge Raad dit als volgt:

"Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis (...) heeft de wetgever bewust ervan afgezien om representativiteit van de eisende rechtspersoon als voorwaarde in de wet op te nemen, zodat niet als eis gesteld kan worden dat de collectieve actie kan rekenen op de steun van een aanmerkelijk deel van de in aanmerking komende belanghebbenden."[2]

In dit verband verwijst Privacy First tevens naar het actuele wetsvoorstel collectieve afwikkeling massaschade: een eerder in dit wetsvoorstel opgenomen representativiteitseis is onlangs geschrapt na terechte kritiek van de Raad van State en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.[3]

Tijdens het Algemeen Overleg op 15 september 2011 stelde staatssecretaris Teeven bovendien het volgende:

"Op de vraag of we een collectief klachtrecht voor betrokkenen gaan regelen, kan ik antwoorden dat er al een mogelijkheid bestaat tot het bundelen van klachten. Artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek kent die mogelijkheid. Een specifieke mogelijkheid voor privacyklachten kan beter op Europees niveau worden geregeld. Daar worden initiatieven toe ondernomen. We zullen daarover op een volgende vergadering van de Europese Raad spreken en die ontwikkelingen wil ik nog meenemen. Op dit moment bestaat zo'n mogelijkheid al wel, maar je kunt je afvragen of die voldoende effectief is."[4]

Door de voorgestelde bepaling in de concept-Richtlijn wordt het collectieve actierecht echter juist minder effectief, want afhankelijk van voorafgaande machtiging door individuele burgers. Algemeen-belangacties ter bescherming van ieders recht op privacy zouden daardoor tot het verleden (kunnen) gaan behoren.

Tenslotte dient hier te worden opgemerkt dat het collectieve actierecht voorheen reeds bestond in (onder meer) art. 10 van de vroegere Wet persoonsregistraties (Wpr):

"Op dit voor de praktijk belangrijke punt is de handhaving van de wet niet uitsluitend overgelaten aan de individuele geregistreerde. Volgens artikel 10 zijn ook rechtspersonen die krachtens hun doelstelling en blijkens hun feitelijke werkzaamheden de belangen behartigen van de geregistreerden, bevoegd tot het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter. Het kan hierbij ook gaan om een rechtspersoon die ideëel het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer behartigt. Het veld van maatschappelijke krachten kan op deze wijze invloed uitoefenen op de handhaving van de wet."[5]

Met de invoering van art. 3:305a BW kwam deze bepaling uit de Wpr te vervallen. Een vergelijkbare bepaling werd vervolgens niet opgenomen in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), aangezien dit vanwege het algemeen werkende art. 3:305a BW en art. 1:2 lid 3 Awb overbodig werd geacht.

Hoe rijmt staatssecretaris Teeven bovenstaande constateringen met elkaar? En is de betreffende passage in art. 50 lid 2 concept-Richtlijn door Nederland 'ingestoken' of daar beland op initiatief van de Europese Commissie of andere EU-lidstaten? Zo ja, welke lidstaten? Erkent de Nederlandse regering dat dit aspect van de concept-Richtlijn uit de pas loopt met Nederlands recht en een achteruitgang in collectieve rechtsbescherming teweegbrengt (wellicht ook in andere EU-lidstaten)? Zo ja, is de Nederlandse regering bereid om hier in Brussel een onderhandelingspunt van te maken en deze passage te laten schrappen of te laten herzien?
(...)
Hoogachtend,

Stichting Privacy First

---------------------------------
[1] Voorstel voor een EU-richtlijn betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, COM(2012) 10 (25 januari 2012), art. 50 lid 2.

[2] Hoge Raad 26 februari 2010, LJN: BK5756, r.o. 4.2; JBPr 2010/30, m.nt. Wijers; NJ 2011/473, m.nt. Snijders.

[3] Zie Kamerstukken II 2011/12, 33126, nr. 3, p. 6.

[4] Kamerstukken II 2011/12, 32761, nr. 2, p. 20 (nadruk SPF).

[5] Kamerstukken II 1984/85, 19095, nr. 3 (MvT Wpr), p. 32. Zie tevens ibid., p. 39.

Gepubliceerd in Wetgeving

Eind 2010 verschenen in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) twee onderzoeksrapporten over de nieuwe Paspoortwet die veel stof deden opwaaien. Het eerste rapport heette "Happy Landings? Het biometrische paspoort als zwarte doos" en was geschreven door mensenrechtenjurist Vincent Böhre (sindsdien werkzaam bij Privacy First). Het tweede rapport heette "Het biometrische paspoort in Nederland: crash of zachte landing" en was geschreven door biometriespecialist Max Snijder. Beide onderzoeken hadden grotendeels parallel plaatsgevonden, overigens zonder assistentie. De focus van het eerste onderzoek lag met name op politieke, juridische en maatschappelijke aspecten, het tweede op de techniek en industrie. Samen vormden deze onderzoeken als het ware een 'helicopter view' van de materie. De toonzetting van beide rapporten was relatief hard. (Minister Donner typeerde het eerste rapport zelfs als 'combative', zo vernam de auteur ervan uit welingelichte bron.) Beide rapporten kregen veel aandacht in de media en droegen (mede daardoor) bij aan de politieke omslag die op dat moment noodzakelijk was: het stopzetten van de opslag van vingerafdrukken onder de nieuwe Paspoortwet. Na een uiterst kritische parlementaire hoorzitting was deze politieke kentering een feit. Minister Donner hield echter een slag om de arm: hij gaf aan de opslag van vingerafdrukken slechts "voor nu" stop te willen zetten en op lange termijn alsnog een nationale biometrische databank te willen ontwikkelen. Tevens werd door Donner besloten om de twee studies die voor de WRR waren uitgevoerd nog eens 'dunnetjes over te doen', ditmaal met het politiek-ambtelijke besluitvormingsproces en de informatieverstrekking richting het parlement als focus én met vrije toegang tot relevante bronnen (personen en documenten). Begin deze week verscheen eindelijk dit langverwachte onderzoeksrapport van de hand van prof. Roel Bekker. Een aantal opvallende aspecten uit dit rapport laten wij hieronder de revue passeren.

1)  Opvallend is allereerst Bekkers kwalificering van het College Bescherming Persoonsgegevens: van "niet erg krachtig" en "niet in al te stellige bewoordingen" (rond 2002) tot "marginale rol", "niet indringend genoeg" en "geen verdere aanleiding gezien om nog eens aan de bel te trekken" (2007-2008). Privacy First herkent dit beeld volledig.

2)  Hetzelfde geldt voor de advisering door de Raad van State: die was rond 2002 "zonder kritisch oordeel". Ook in latere jaren werd er, in de woorden van de staatsraden zelf, "onvoldoende scherp getoetst". Ook dit aspect herkent Privacy First.

3)  De wens van een centrale biometrische databank bleek van Justitie afkomstig, en zelfs van minister Donner persoonlijk. Het opsporingskarakter van een dergelijke databank (een oude CDA-wens uit 2001) staat daarmee nu buiten kijf.

4)  Des te zorgwekkender is het dat Bekker zich in zijn rapport niet kritisch keert tegen centrale opslag van vingerafdrukken, maar juist lijkt aan te sturen op een mogelijke "heroverweging" daarvan. Dit blijkt zowel uit letterlijke passages als tussen de regels van zijn rapport door.

5)  In het algemeen getuigt het rapport dan ook niet van veel privacy- en mensenrechtelijke kennis bij de auteur. Dit blijkt zowel uit het gebrek aan relevante overwegingen als uit (niet-)gebruikte begrippen. Voorbeelden zijn zinsneden als "in potentie een inbreuk (...) op de privacy" en "veronderstelde inbreuk op de privacy". Hier verwart Bekker wellicht de begrippen "inbreuk" en "schending"  (ongerechtvaardigde inbreuk). Dat e.e.a. sowieso een inbreuk op de privacy vormt is immers zelfs door de Staat al talloze malen erkend.

6)  In privacyrechtelijk opzicht slaat Bekker vooral de plank mis in de paragraaf over function creep (doelverschuiving). Die paragraaf is dusdanig oppervlakkig, naïef, eenzijdig en bagatelliserend dat het hele rapport erdoor aan kwaliteit inboet.

7)  Het rapport noemt consequent de bestrijding van look-alike fraude als doel van de invoering van biometrie op reisdocumenten. Deze look-alike fraude wordt echter nergens in het rapport gekwantificeerd. Dit terwijl Privacy First uit betrouwbare bron weet dat de auteur wel enig onderzoek naar de (relatief geringe) omvang hiervan heeft gedaan. Waarom wordt dit niet vermeld?

8)  Vrijwel alle andere belangen rond biometrie in de nieuwe Paspoortwet blijven in het rapport onbenoemd. Daardoor blijft de mist rond die belangen (en bijbehorende 'spelers') onverminderd groot. Dit geldt met name voor het domein van staatsveiligheid en rampenbestrijding.

9)  De vraag of bewindslieden het parlement van voldoende informatie hebben voorzien wordt deels ontweken en vooral gepareerd met het verwijt dat Kamerleden zelf meer kritische vragen hadden moeten stellen. Saillant detail in dit verband is dat reeds eind 2009 het enorme foutenpercentage (21%) bij verificatie van vingerafdrukken bekend was bij staatssecretaris Bijleveld (BZK). De Tweede Kamer werd echter pas eind april 2011 over dit foutenpercentage geïnformeerd. Nóg saillanter in dit verband is het antwoord op een vraag van het CDA tijdens het vragenuurtje in de Tweede Kamer op 20 april 2010:
- CDA: "Zijn er na het debat dat wij ruim een jaar geleden hadden, nieuwe feiten of argumenten op tafel gekomen die rechtvaardigen dat er onrust of gebrek aan draagvlak zou zijn?"
- Staatssecretaris Bijleveld: "Het antwoord op die vraag is klip-en-klaar: nee." 

10)  Het is tevens jammer dat belangrijke, vertrouwelijke bronnen niet als bijlagen bij het rapport zijn gevoegd. Dit geldt bijvoorbeeld voor de haalbaarheidsstudie uit 2004 die in voetnoot 14 van het rapport wordt vermeld.

11)  Door Bekker wordt terecht betreurd dat er geen ambtenaren van het verantwoordelijke departement (BZK) deelnamen aan de parlementaire hoorzitting in april 2011.

12)  In het rapport wordt een lans gebroken voor biometrisch gewetensbezwaarden: voor hen dient er voortaan keuzevrijheid te zijn. Privacy First onderschrijft dit aspect van harte.

13)  In algemene zin zal de geïnformeerde lezer van dit rapport zich echter niet aan de indruk kunnen onttrekken dat zowel de ambtelijke leiding als relevante bewindspersonen in dit rapport vooral "uit de wind" gehouden worden. In die zin vormt dit rapport helaas een gemiste kans.

Update 13 april 2012: gisteren publiceerde minister Spies van Binnenlandse Zaken (BZK) haar reactie op het rapport Bekker. Positief is dat Spies in haar brief spreekt van een "veranderende tijdgeest" waarbij "de laatste jaren de discussie over privacy weer nadrukkelijker aan de orde is." "We leven nu in een ander tijdsgewricht" waarin "in ieder geval geen sprake [meer] zal zijn van centrale opslag van vingerafdrukken", aldus minister Spies (pp. 2, 4). Tevens bevestigt Spies dat "een wetsvoorstel zal worden ingediend dat er onder andere toe moet leiden dat (...) het opnemen van vingerafdrukken bij de aanvraag van een identiteitskaart kan worden beëindigd" (p. 3). Privacy First onderschrijft deze aspecten en zal blijven toezien op de implementatie ervan op de kortst mogelijke termijn.

Gepubliceerd in Biometrie
Pagina 64 van 79

Onze Partners

logo Voys Privacyfirst
logo greenhost
logo platfrm
logo AKBA
logo boekx
logo brandeis
 
banner ned 1024px1
logo demomedia
 
 
 
 
 
Pro Bono Connect logo 100
Control Privacy
Procis

Volg ons via Twitter

twitter icon

Volg onze RSS-feed

rss icon

Volg ons op LinkedIn

linked in icon

Volg ons op Facebook

facebook icon